Mochir Moboic (30) studeert Journalistiek aan de HU en schrijft columns voor Trajectum.
Ach nee, niet weer.
Ik zit achter in een Uber onderweg naar huis na een avond stappen. De chauffeur draait zich om. ‘Hé, waar kom jij eigenlijk vandaan?’
Begrijp me niet verkeerd, ik houd van een gesprek. Maar ergens weet ik al waar dit naar toe gaat.
‘Uit Zuid-Soedan,’ antwoord ik.
‘Aah, Soedan,’ zegt hij enthousiast. ‘Mooi land. Ik heb in 2006 Khartoem bezocht.’
Zie je wel. Daar gaan we weer.
Meestal probeer ik het luchtig te houden. Ik leg uit dat Zuid-Soedan pas sinds 2011 een onafhankelijke staat is, of ik maak een grap over topografie. Vaak laat ik het daarbij.
Maar als ik eerlijk ben, zijn er dagen waarop zo’n vergissing me meer doet dan ik laat merken.
Mijn volk heeft een enorme prijs betaald zodat ik het Zuid-Soedan kan noemen. Mijn opa Akoual vocht in de eerste burgeroorlog als onderdeel van de Anyanya-beweging. Mijn vader Mochir diende tijdens de tweede burgeroorlog in het Sudan People’s Liberation Army, net als mijn ooms en mijn neven. Ook de vrouwen, als verzorgers, koks en, wanneer het moest, als krijgsvrouwen.
Twee miljoen van mijn mensen verloren hun leven in het conflict tegen het noorden. De SAF en de Janjaweed, zij vormden de milities die mijn land in tweeën brak.
Ik heb mijn vader nooit gekend, omdat de oorlog ons scheidde. Toen mijn moeder hem vroeg met ons mee naar Europa te vluchten, antwoordde hij: ‘Awein, als ik deze grond niet bescherm, wie moet het dan doen?’
Die woorden draag ik altijd met me mee.
Want waar ik vandaan kom, is grond niet zomaar grond. Het is de plek van mijn voorouders. Waar onze taal, cultuur, kunst en geloof hun wortels hebben. Voor mijn familie is die naam met bloed, verlies en hoop geschreven.
Dus wanneer iemand mij vraagt waar ik vandaan kom, zeg ik met trots:
‘Ik kom uit Zuid-Soedan, het jongste land ter wereld.’


